Algemeen
Generieke functies zijn afspraken, standaarden en voorzieningen die veilige, betrouwbare en interoperabele gegevensuitwisseling in de zorg ondersteunen. Ze vormen een belangrijke basis voor digitale samenwerking tussen zorgverleners, zorgorganisaties en systemen.
Ze zorgen ervoor dat zorgverleners, organisaties en systemen op een veilige en betrouwbare manier gegevens kunnen uitwisselen ongeacht welke systemen zij gebruiken.
Het Landelijk Dekkend Netwerk (LDN) vormt de landelijke infrastructuur voor gegevensuitwisseling in de zorg. Generieke functies zorgen ervoor dat gegevens binnen deze infrastructuur veilig, betrouwbaar en eenduidig kunnen worden uitgewisseld.
De informatie over generieke functies stond verspreid over verschillende websites. Daarom is deze website ontwikkeld als centrale plek. Hier vindt u de juiste informatie en verwijzingen om u goed voor te bereiden op de implementatie van generieke functies.
De afspraken voor de generieke functies worden opgenomen in het Landelijk Afsprakenstelsel. Daarmee worden deze afspraken richtinggevend voor alle gegevensuitwisselingen. Daarnaast wordt gewerkt aan een wettelijke verplichting om deze afspraken toe te passen.
Hier wordt aan gewerkt. In de volgende fase van het nationale zorginformatiestelsel wordt ook gekeken naar de aansluiting van andere zorgsectoren, waaronder de gehandicaptenzorg. De analyse hiervoor start dit jaar.
VWS werkt aan een landelijke implementatiestrategie. Deze strategie moet zorgorganisaties ondersteunen bij de invoering van de generieke functies en de bijbehorende landelijke afspraken.
Ja. Dit wordt duidelijker in de pilotfase. Tijdens de pilots wordt in de praktijk beproefd welke generieke functies nodig zijn voor een gegevensuitwisseling. Ook wordt in de verschillende communicatiepatronen inzichtelijk gemaakt welke generieke functies daarbij worden toegepast.
Nuts-leverancier is één van de partijen waarmee VWS samenwerkt aan de ontwikkeling en implementatie van de generieke functies. Nuts denkt actief mee over de gemaakte keuzes en neemt deel aan verschillende beproevingen en samenwerkingsinitiatieven.
VWS stemt de ontwikkeling van generieke functies af met de relevante ministeries, medeoverheden en andere betrokken partijen. Die samenwerking vindt onder andere plaats op onderwerpen zoals Logging en Identificatie & Authenticatie, zodat afspraken en voorzieningen goed op elkaar aansluiten.
Nee. De aanbevelingen uit het rapport van het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) worden serieus genomen. De aanpak wordt daarop aangepast. Meer informatie hierover staat in de Kamerbrief van de minister.
Voor de generieke functies zijn kwaliteitseisen opgesteld. Deze worden in de volgende fase verder uitgewerkt en beproefd tijdens de pilots. Zo kan worden vastgesteld of de voorzieningen in de praktijk voldoen aan de eisen voor onder andere informatiebeveiliging, privacy, beschikbaarheid en bruikbaarheid.
Dat verschilt per onderwerp. VWS beoordeelt voortdurend welke kennis en expertise nodig is en neemt waar nodig maatregelen om deze aan te vullen of te versterken.
In het kader van de European Health Data Space (EHDS) wordt onderzocht hoe generieke functies kunnen worden ingezet voor secundair gebruik van gezondheidsgegevens, zoals wetenschappelijk onderzoek.
De generieke functies zijn niet verantwoordelijk voor de ontwikkeling of beschikbaarheid van persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO's).
Wel kunnen generieke functies, zoals Adressering en Lokalisatie, worden gebruikt om de uitwisseling van gezondheidsgegevens tussen zorgaanbieders en een PGO of MedMij Gezondheidsomgeving (MGO) te ondersteunen.
Ja. Dit wordt duidelijker in de pilotfase. Tijdens de pilots wordt in de praktijk beproefd welke generieke functies nodig zijn voor een gegevensuitwisseling. Ook wordt in de verschillende communicatiepatronen inzichtelijk gemaakt welke generieke functies daarbij worden toegepast.
Identificatie & Authenticatie
Om zeker te weten met wie gegevens worden uitgewisseld. Dit voorkomt onbevoegde toegang en vergroot het vertrouwen tussen zorgverleners, organisaties en systemen.
Identificatie is het kenbaar maken van een identiteit. Authenticatie is het controleren of die identiteit daadwerkelijk klopt.
Dezi is een inlogstelsel dat zorgprofessionals helpt zich digitaal en betrouwbaar te identificeren en authenticeren. Hierdoor kunnen andere partijen erop vertrouwen dat zij met de juiste zorgverlener samenwerken.
Meer informatie over Dezi vindt u op www.dezi.nl
Ja, een LIS (Laboratory Information System) en PACS (Picture Archiving and Communication System) zijn ook een type zorginformatiesystemen. Daarmee vallen deze systemen ook onder de reikwijdte van het wetsvoorstel DIAZ zoals geformuleerd in Artikel 14 lid 1 onder b.
De huidige planning is nog steeds gericht op inwerkingtreding per 1 januari 2027 en verplichtstelling vanaf 1 januari 2031. Uiteraard blijft dit afhankelijk van het verdere parlementaire proces.
Het wetsvoorstel schrijft geen specifieke of landelijke QTSP-provider voor. Zorgaanbieders, jeugdhulpaanbieders, indicatieorganen, zorgverzekeraars en hun medewerkers kunnen gebruikmaken van erkende publieke of private inlogmiddelen die voldoen aan de gestelde eisen, waaronder de Wet digitale overheid (Wdo) erkende publieke en private inlogmiddelen, zorgspecifieke inlogmiddelen erkend op basis van de NEN7518, PKI-o-middelen en onder de eIDAS-verordening genotificeerde middelen. De NEN7518 biedt zorgaanbieders ruimte een zorgspecifiek inlogmiddel aan te bieden door gebruik te maken van een QTSP of door aantoonbaar te voldoen aan eIDAS normenkader (EU) 2015/1502, kortom zonder QTSP.
De uiteindelijke kosten zijn mede afhankelijk van de gekozen implementatie en de afspraken tussen zorginstellingen en aanbieders van inlogmiddelen.
De totstandkoming van betrouwbaarheidsniveau hoog voor de toegang tot gezondheidsgegevens komt voort uit de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens en Raad van State.
Bij het ontwikkelen van het Dezi-stelsel is allereerst gekeken of de UZI-middelen vernieuwd konden worden en vervolgens voor de hele zorgsector beschikbaar zouden kunnen worden gemaakt. De UZI-pas is echter niet geschikt voor elk zorgproces. Zo werkt deze bijvoorbeeld heel lastig bij ambulant werk. Om die reden is gewerkt aan de ontwikkeling van het Dezi-stelsel. Dit stelsel beoogt een multimiddelenstrategie, zodat voor de verschillende zorgprocessen verschillende soorten inlogmiddelen gebruikt kunnen worden. Omdat alleen de Wdo en eIDAS middelen niet toereikend genoeg waren voor de zorgsector, is op verzoek en in afstemming met veldpartijen (zorgorganisaties, zorgkoepels) besloten om ook een NEN-norm te ontwikkelen voor de certificering van zorgspecifieke inlogmiddelen. Onder deze NEN-norm kunnen QTSP partijen hun inlogmiddel aanbieden. Ook is het mogelijk een inlogmiddel aan te bieden zonder QTSP, indien aantoonbaar wordt voldaan aan eIDAS (EU)2015/1502
Autorisatie
Niet iedere zorgprofessional heeft toegang nodig tot dezelfde gegevens. Autorisatie zorgt ervoor dat alleen bevoegde personen toegang krijgen.
Identificatie & Authenticatie bepaalt wie iemand is. Autorisatie bepaalt vervolgens welke gegevens die persoon mag bekijken of gebruiken.
Dat kan afhangen van iemands functie, rol, organisatie, behandelrelatie en de situatie waarin gegevens worden geraadpleegd.
Ja. Door alleen noodzakelijke toegang te verlenen, wordt de privacy van patiënten beter beschermd.
Veilige toegang tot gegevens, betere privacybescherming en minder risico op ongeoorloofd gebruik van informatie.
De normcommissie heeft op 24 juni jl. ingestemd met de start van de publieke consultatie van NEN 7520. Zodra NEN het document via haar website publiceert, start de consultatie.
De manier waarop autorisatie nu is ingericht verschilt sterk tussen zorgorganisaties en zorgsectoren. Daardoor is het lastig om gegevens veilig en betrouwbaar uit te wisselen.
Met de generieke functie Autorisatie worden landelijke afspraken gemaakt over autorisatie. Dat zorgt voor meer interoperabiliteit en versterkt het vertrouwen tussen zorgorganisaties. Zorgaanbieders moeten erop kunnen vertrouwen dat gegevens die zij delen ook door andere organisaties zorgvuldig en volgens dezelfde uitgangspunten worden beschermd.
Autorisatie is daarmee een belangrijke randvoorwaarde voor veilige en betrouwbare databeschikbaarheid.
Autorisatie is afhankelijk van de identiteit van de persoon of het systeem dat toegang vraagt tot gezondheidsgegevens. Om te bepalen wie toegang krijgt tot welke gegevens, wordt gewerkt met autorisatiebeleid (policies).
Daarvoor is het belangrijk dat rollen goed worden gedefinieerd en dat duidelijk is welke attributen bij die rollen horen. De beoogde aanpak sluit daarom aan op Policy Based Access Control (PBAC), waarbij zowel rollen als attributen een belangrijke rol spelen bij het bepalen van toegangsrechten.
Toestemming
Patiënten hebben recht op regie over hun eigen gezondheidsgegevens. Toestemming maakt inzichtelijk of de patiënt toestemming heeft gegeven of medische gegevens met andere zorgverleners gedeeld mogen worden.
Mitz is de landelijke online toestemmingsvoorziening waarin burgers hun keuzes over het delen van medische gegevens kunnen vastleggen en beheren.
Meer informatie over deze voorziening kunt u vinden op www.mitz-toestemming.nl.
Ja. Een patiënt kan eerder gegeven toestemming aanpassen of intrekken.
Meer transparantie, meer regie voor de patiënt en meer vertrouwen in digitale gegevensuitwisseling.
Voor alle generieke functies is onderzocht welke wettelijke grondslag betrekking heeft op de werking van de functie. Voor de generieke functie Toestemming wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) binnen een online toestemmingsvoorziening (OTV).
VWS blijft inzetten op de online toestemmingsvoorziening Mitz en op een versnelde implementatie daarvan. Daarom roept VWS zorgaanbieders en hun leveranciers op om op Mitz aan te sluiten.
Andere voorzieningen, zoals Zorg-AB, kunnen door het zorgveld worden gebruikt. De verwachting is dat deze gaan voldoen aan de landelijke specificaties.
VWS werkt aan de uitwerking van een opt-out-systeem en aan wat daarvoor nodig is voor de inrichting en implementatie. Na de zomer komt hier meer duidelijkheid over, in lijn met de toezegging aan de Tweede Kamer.
Mitz slaat de toestemmingskeuze van een persoon centraal op. Zodra Mitz wordt ingezet verandert de bron voor toestemming. Zonder Mits is het EPD van de zorgaanbieder het bronsysteem waar toestemming is geregistreerd. Door op Mitz aan te sluiten, is Mitz het bronsysteem voor toestemming. Met één bronsysteem voor toestemming wordt dubbele on onduidelijke registratie van toestemming voorkomen.
De behoefte vanuit het zorgveld en patiëntenorganisaties aan een breed beschikbare online toestemmingsvoorziening is groot. Daarom is VZVZ in staat gesteld om Mitz alvast beschikbaar te stellen.
Omdat in Mitz met medische gegevens wordt gewerkt, moet worden ingelogd met een veilig inlogmiddel. In overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is daarom afgesproken dat Mitz onder strenge voorwaarden al gebruik mag maken van DigiD. Tegelijkertijd loopt een wetgevingstraject waarin de wettelijke grondslag hiervoor expliciet wordt vastgelegd.
Zie ook Kamerstuk II 27529, nr. 268
Op dit moment wordt Mitz geïmplementeerd in de curatieve zorg.
Mitz is samen met ActiZ in gesprek over de implementatie binnen de VVT. Hiervoor heeft Stichting GVvZ een versnellingstafel ingericht, waar ook NUTS bij aansluit. Daarnaast zijn de eerste proof-of-concepts uitgevoerd en staat een eerste proefmigratie gepland.
Ook ondersteuning van andere sectoren binnen de langdurige zorg staat op de doorontwikkelagenda. Hiervoor wordt een roadmap ontwikkeld.
De vragen over het gebruik van UZI-middelen zijn bekend. Daarbij is het belangrijk onderscheid te maken tussen twee situaties:
1) Het opvragen van een toestemmingskeuze. Hiervoor is geen UZI-middel nodig. Identificatie kan ook op een andere manier worden ingericht.
2) Het vastleggen van een toestemmingskeuze namens een patiënt, bijvoorbeeld via de dossierhoudersknop, raadplegersknop of 'Samen naar MijnMitz'. Hiervoor is op dit moment nog een UZI-middel nodig. Op termijn zal DEZI deze rol overnemen.
VWS werkt momenteel aan de uitwerking van een opt-out-systeem en aan wat daarvoor nodig is voor de inrichting en implementatie. Op dit moment wordt onderzocht hoe dit vorm krijgt. Naar verwachting komt hierover na de zomer meer duidelijkheid, in lijn met de toezegging aan de Tweede Kamer.
Ja. VWS is ervan op de hoogte dat VZVZ momenteel wordt gereorganiseerd.
Nee. Dat hangt af van de functionaliteit die wordt gebruikt.
Voor het opvragen van een toestemmingskeuze is geen UZI-pas nodig.
Voor het vastleggen van een toestemmingskeuze namens een patiënt, bijvoorbeeld via de dossierhoudersknop, de raadplegersknop of de functie Samen naar MijnMitz, is op dit moment wel een UZI-middel nodig. Op termijn zal DEZI deze rol overnemen. Daarnaast identificeren zorgaanbieders zich bij de aansluiting op Mitz met een URA-identiteit en maken systemen gebruik van een UZI-servercertificaat.
In overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is afgesproken dat Mitz onder strenge voorwaarden al gebruik mag maken van DigiD. Tegelijkertijd loopt een wetgevingstraject waarin de wettelijke grondslag voor online toestemmingsvoorzieningen, zoals Mitz, expliciet wordt vastgelegd.
Lokalisatie
Medische gegevens zijn vaak verspreid over verschillende zorgorganisaties. Lokalisatie helpt zorgverleners te vinden waar relevante informatie voor de behandeling beschikbaar is.
Nee. Lokalisatie maakt inzichtelijk waar gegevens beschikbaar zijn, maar slaat deze gegevens niet zelf centraal op.
Zij kunnen sneller relevante informatie vinden en beschikken daardoor eerder over een compleet beeld van de patiënt.
De patiënt hoeft minder vaak dezelfde informatie opnieuw aan te leveren en zorgverleners kunnen beter samenwerken.
Snellere toegang tot relevante informatie en een beter geïnformeerd zorgproces.
De Nationale Verwijsindex (NVI) controleert bij een bevraging niet of de opvragende zorgaanbieder daadwerkelijk een behandelrelatie heeft met de patiënt. Wel wordt iedere bevraging van de NVI gelogd. Burgers kunnen daardoor zien welke zorgaanbieders lokalisatiegegevens over hen hebben opgevraagd via de NVI.
Het combineren van toestemming en lokalisatie in één voorziening is juridisch en vanuit het stelsel onwenselijk gebleken.
Daarnaast is lokalisatie via Mitz voor beeldgegevens mogelijk, maar bij uitbreiding naar andere categorieën gezondheidsgegevens kunnen onder andere problemen ontstaan door overbevraging. Daarom is gekozen voor de Nationale Verwijsindex (NVI) als structurele oplossing voor lokalisatie.
De verwijsindex van het LSP ondersteunt gegevensuitwisseling binnen het LSP en is beperkt tot de zorgsectoren die daarop zijn aangesloten.
De Nationale Verwijsindex (NVI) is domeinoverstijgend en ondersteunt de hele zorgsector bij het lokaliseren van gezondheidsgegevens. Daarnaast worden gegevens in de NVI gepseudonimiseerd opgeslagen. Dat draagt bij aan een betere bescherming van de privacy van burgers en een veilige verwerking van gegevens.
Bij het lokaliseren van patiëntgegevens blijft het uitgangspunt dat gegevens bij de bron worden opgeslagen. Daarom worden in de Nationale Verwijsindex (NVI) alleen verwijzingen opgenomen naar de locatie van de gegevens en de zorgcategorie waarop deze betrekking hebben. De patiëntgegevens zelf worden niet in de NVI opgeslagen. De uitwisseling van gegevens vindt volledig buiten de Nationale Verwijsindex plaats
Voor het lokaliseren van diensten en adresgegevens van zorgaanbieders wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) uitgebreid. Het LRZa biedt zorgaanbieders één centrale plek om hun digitale adresgegevens te beheren, te registreren en op te vragen.
Voorzieningen zoals Zorg-AB of andere adresboeken kunnen deze gegevens gebruiken als zoekportaal. Zij kunnen de adresgegevens bovendien aanvullen met extra informatie, zoals wachttijden of andere relevante gegevens.
Dit wordt geborgd door de generieke functies in nauwe samenhang te ontwikkelen. Daarbij wordt voortdurend gekeken hoe de verschillende functies zo goed mogelijk op elkaar aansluiten.
Tegelijkertijd hebben de generieke functies ieder een eigen doel. Daardoor is volledige samenhang niet altijd mogelijk. Zo registreert de generieke functie Toestemming in Mitz de toestemmingskeuze van burgers voor het delen van gegevens, terwijl de generieke functie Adressering zich richt op het gestandaardiseerd beheren en beschikbaar stellen van adresgegevens van zorgaanbieders. Hoewel deze functies elkaar aanvullen, hebben zij ieder een eigen rol binnen het zorginformatiestelsel.
Adressering
Om ervoor te zorgen dat gegevens en berichten veilig bij de juiste zorgverlener of organisatie terechtkomen.
Dan bestaat het risico dat informatie naar de verkeerde ontvanger wordt gestuurd of niet aankomt waar deze nodig is.
Daarnaast kan het zoeken naar de juiste adresgegevens veel meer tijd in beslag nemen.
Nee. Adressering maakt gebruik van betrouwbare gegevens over zorgverleners, organisaties en digitale aansluitingen om gegevens veilig en gericht af te leveren.
Betrouwbare gegevensuitwisseling, minder fouten en een efficiëntere samenwerking tussen zorgorganisaties.
Uit de praktijk is gebleken dat de koppeling tussen AGB-codes en zorgaanbieders niet altijd correct was of gebaseerd was op verouderde gegevens.
Daarom worden AGB-codes binnen de generieke functie Adressering niet automatisch overgenomen uit het AGB-register. Als dat nodig is, kan een zorgaanbieder via het beheerportaal van het Landelijk Register Zorgaanbieders en Adressen (LRZa) de koppeling handmatig aanpassen.
Logging
VWS werkt aan een landelijke aanpak waarbij decentrale loggegevens kunnen worden opgehaald en via een persoonlijke gezondheidsomgeving (MGO) inzichtelijk worden gemaakt voor burgers. Hiervoor wordt een open standaard verplicht gesteld, zodat loggegevens op een uniforme en interoperabele manier kunnen worden uitgewisseld.
1) DEZI zorgt ervoor dat zorgverleners uniek kunnen worden geïdentificeerd. Door deze eenduidige identificatie en authenticatie worden loggegevens in zorginformatiesystemen betrouwbaar vastgelegd. Deze gegevens kunnen vervolgens worden gebruikt voor de logging van gegevensuitwisseling.
2) Mitz controleert vooraf of een zorgverlener toegang mag krijgen tot gezondheidsgegevens op basis van de toestemmingskeuze van de patiënt. Logging legt vervolgens vast wie daadwerkelijk gegevens heeft ingezien. Zo ondersteunt Mitz de regie vooraf en geeft logging achteraf inzicht in het gebruik van gezondheidsgegevens.
3) VZVZ heeft eerder onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor ketenlogging en stelsellogging, waarin deze onderdelen samenkomen. Deze verkenning krijgt een vervolg binnen het Landelijk Dekkend Netwerk (LDN).
VWS werkt aan een landelijke aanpak waarbij decentrale loggegevens op een uniforme manier kunnen worden opgehaald en getoond aan burgers via een MGO. Door het gebruik van een verplichte open standaard wordt voorkomen dat verschillende voorzieningen eigen loggingstructuren ontwikkelen.
Functionele Requirements
Functionele requirements beschrijven wat een generieke functie moet kunnen om veilige, betrouwbare en interoperabele gegevensuitwisseling mogelijk te maken.
Ze zorgen voor een gezamenlijke beschrijving van de benodigde functionaliteit. Hierdoor werken zorgorganisaties, leveranciers en andere betrokkenen vanuit dezelfde uitgangspunten.
Voor beleidsmakers, architecten, leveranciers, zorgorganisaties en andere partijen die betrokken zijn bij de ontwikkeling of implementatie van generieke functies.
Nee. Functionele requirements beschrijven wat een functie moet doen. De technische invulling wordt beschreven in de technische requirements.
Ze vormen de basis voor ontwerp, ontwikkeling, implementatie en toetsing van oplossingen die gebruikmaken van generieke functies.
Technische requirements
Technische requirements beschrijven welke technische afspraken, standaarden en specificaties nodig zijn om een generieke functie te realiseren.
Ze zorgen ervoor dat verschillende systemen op een veilige, betrouwbare en interoperabele manier met elkaar kunnen samenwerken.
Functionele requirements beschrijven wat een functie moet kunnen. Technische requirements beschrijven hoe deze functionaliteit technisch ondersteund kan worden.
Voor architecten, ontwikkelaars, leveranciers en technische specialisten die betrokken zijn bij de realisatie van oplossingen.
Proof of Concepts (PoC)
Een Proof of Concept (PoC) is een praktijkgerichte verkenning in een afgekaderde omgeving waarmee wordt onderzocht of een idee, oplossing of voorziening technisch en functioneel haalbaar is. Het is nadrukkelijk een testopstelling.
Om aannames te toetsen, risico's te verminderen en inzicht te krijgen in de werking van een oplossing voordat deze breder wordt ontwikkeld of toegepast.
Een PoC onderzoekt of iets werkt in een afgekaderde omgeving met testgegevens. Een pilot onderzoekt hoe iets werkt in de praktijk met echte gebruikers en organisaties. De pilots draait in een productie-omgeving met werkelijke gegevens.
PoC's bieden inzicht in technische mogelijkheden, randvoorwaarden, knelpunten en kansen voor verdere ontwikkeling.
Nee. Een PoC is bedoeld om te leren en te valideren. Resultaten kunnen leiden tot aanpassingen of vervolgonderzoek.
Design Authority
De Design Authority bestaat uit vertegenwoordigers van VWS en verschillende organisaties uit het zorgveld. De huidige samenstelling is:
- Lead Architect VWS
- Product Owner VWS
- Dossierhouder Adressering/Lokalisatie VWS
- Productmanager VWS
- Voorzitter GISA
- Business Analist implementatieteam VZVZ
- Twee vertegenwoordigers van Silizo
- Architect UMCG
- Architect RSO Nederland
- Architect Thebe
- Architect CumuluZ
- Architect NUTS